Blogs India

 

Delhi (1)

Er scheurt een motor door een van de overvolle straten van Delhi. 

Er zitten vijf jongens op. Op een kruispunt staat een agent het verkeer te regelen. Hij is de enige die nog gelooft in het nut van zijn werkzaamheden. Op het kruispunt probeert de agent de motor met de vijf jongens aan te houden. Hij steekt zijn hand op. Een van de vijf jongens schreeuwt: ‘Sorry, we zitten vol!’

De verkeersregels worden hier gemaakt in het verkeer. Wanneer je ’s ochtends in je auto stapt druk je eerst op de toeter, daarna op het gaspedaal. Invoegen is Russische roulette. Het is een kwestie van gas geven in de hoop dat de ander remt. Het lastige is dat iedereen dat doet. Dat maakt India het land van de miljoenen bijna-botsingen. Bijna, omdat er altijd eentje, een halve centimeter verwijderd van een gedeukte zijkant, toeterend zijn verlies neemt. 

Niemand lijkt er mee te zitten. Dat je twee uur in de auto zit om binnen 

Delhi van huis naar werk te rijden, is nou eenmaal zoals het is. Dat de treinen altijd te laat vertrekken, is nauwelijks een issue. Als een trein op tijd zou vertrekken, zou het grootste deel van de passagiers de trein missen. 

In de tuin van het hotel rennen de apen over takken van de bomen. Op het terras van de eetzaal ligt er eentje op zijn rug vlooien te verwijderen, terwijl hij nieuwsgierig naar binnen kijkt naar de buitenaardse wezens die dit keer zijn geland om de planeet India te verkennen.

Het park waar de as van vader des vaderlands Mahatma Gandhi ligt, is alles wat Delhi niet is: strak, schoon, ordelijk, stil. De Indiërs komen er graag. Omdat Gandhi dé held is. Er zijn veel parken. Delhi is een van de groenste steden. Maar ook een van de vuilste.

De Sikh-tempel in het oude Delhi is een wonderbaarlijke plek. Er worden 

elke dag 20.000 maaltijden bereid door en voor aanhangers van de Sikh-religie, de vierde religie van het land. Achterin de tempel staan enorme wokken waar mannen met lepels als hockeysticks in roeren. Vrouwen rollen het deeg voor naanbrood. Aan de voorkant stromen mensen binnen. Anders dan op de autowegen gaat het er ordelijk aan toe. Ze gaan in keurige rijen op de grond zitten, allemaal in kleermakerszit, rug tegen rug. Allemaal krijgen ze een bordje eten. Ze hoeven er niet voor te betalen. Saamhorigheid en doorleefde blijdschap hebben er een samenlevingscontract.

Na één dag India ben je al de Noord-Europese regelneef die zijn zekerheden aan het verliezen is.

 

Haveli’s (2)

Voor de hindoes is de Ficus Indigus - Pepil, voor gewone mensen - de heilige boom. Het specifieke patroon op het blad symboliseert de saamhorigheid van de hindoegemeenschap Soms is het niet zo handig dat zo’n boom vlak voor je winkel staat en maar doorgroeit. Omhakken is namelijk een doodzonde, nog los van de algehele boomhakschaamte. Dus moet de winkel dicht en kun je je pand afschrijven. De heilige boom wordt dus gekoesterd, maar voor de rest is Shekhawati (in Rajasthan) vooral bekend als de regio waar de monumenten van het rijke verleden met de toegenomen rijkdom verpieterd zijn. Hier woonden de rijken van de 19e en een groot deel van de 20e eeuw. Het was hét handelscentrum van India. De rijken lieten er haveli’s - een soort stadspaleizen - bouwen zoals de rijke Amsterdammers in onze Gouden Eeuw hun grachtenpanden. De haveli’s zijn vooral te herkennen aan fresco’s waarmee de muren van boven tot onder zijn bedekt. Hier en daar zijn ze nog in volle glorie te zien, maar de aftakeling is pregnanter.Waar Amsterdam zijn rijkdom bouwde op de puinhopen van Antwerpen, is Shekhawati nu juist het Antwerpen van India. De rijke handelslieden en hun bedrijvigheid verdwenen naar Mumbai (Bombay), Calcutta en Delhi. De haveli’s met hun schitterende fresco’s zijn er dus nog wel - de nabestaanden kunnen hun voorouders niet afvallen - maar worden niet of nauwelijks onderhouden. Geen geld, geen prioriteit. De wandeling door ons overnachtingsdorp is een wandeling door een onttakeld tijdperk waar alleen een goeie gids nog kan oproepen hoe het geweest is. Die gids hadden we.Hij loodste ons ook door het centrum om uit te leggen hoe daar langs de straten voedsel en snacks worden bereid. Waarvan hij ons ernstig afraadde er ook maar iets van te eten, omdat de voorraad meegebrachte diarrheeremmers dan zienderogen zou slinken. Gezien de brommerdichtheid van de straatjes, de passerende vrachtwagen met schapen, de rondlopende buffels en het straatvuil hadden wij al zo’n vermoeden.

 

Kamelen (3)

‘Oh we boffen toch maar weer/oh we boffen toch maar weer/we boffen dat ‘r in elk geval/hiero geen kamelen zijn’.Ik kan er niks aan doen. Als ik kamelen zie hoor ik de schuurpapieren stem van Rick Lorenzo Dros met deze alles relativerende slotzin van zijn kamelenlied.In India hebben ze maar één bult. Ik vroeg een tijd geleden aan kleinzoon Jort - we waren in de dierentuin - hoe een kameel met één bult heet. Hij keek peinzend in de lucht en zei: een kameleon. Het leek mij het juiste antwoord. Vanwege de logica. Ook de kamelenboer in Bikaner, een stad dichtbij de grens met Pakistan, sprak het woord dromedaris met tegenzin uit. Er wordt hier niet op bulten gediscrimineerd. Een kameel is een kameel. Al kan de ene kameel dan wel beter dansen dan de andere. Want dat leren ze op de kamelenboerderij van Bikaner, waar 400 kamelen opgroeien, draven, voorbereid worden op een leven als zaaddonor, 13 maanden zwanger zijn, maar ook kunstjes leren met het oog op de talrijke kamelenfestivals in de regio.De olifant staat echter hoger in de hiērarchie. De hindoegod van ‘het begin’, Ganesha, wordt afgebeeld met het hoofd van een olifant en de maharadja’s zitten vaak òp de olifant. Vóór de onafhankelijkheid - de Britten trokken zich toen nog met tegenzin terug uit buitenlandse avonturen - barstte het van de koninkrijkjes. De koningen, de maharadja’s, waren niet bescheiden met hun woningkeuze. Ze lieten onder meer gigantische roodstenen forten bouwen. We keken onze ogen uit in het fort van Bikaner. Zoals bijna overal is onbescheidenheid van vroegere gezagsdragers de drijvende kracht van het moderne toerisme. Dat bijvoorbeeld de pausen zich mensonterende methoden permitteerden bij het doen bouwen van paleizen en kathedralen, nemen we voor lief. De trekpleister bedekt de wond. Een trekpleister was ook de man met opgerolde snor. Hij had hem niet meer geknipt sinds 1986. Het afrollen van zijn snor - ze doen alles voor toeristen - deed me eerst nog denken aan het geknoei met vliegertouw. Maar toen hij klaar was leek hij een schip dat zijn touwen op de kade had gegooid. Je kon er een hele schoolklas mee laten touwtjespringen.Vlakbij het hotel stond een moskee. We zaten uit te puffen bij het zwembad van het hotel, toen de luide en langdurige namiddagzang vanuit de moskee ons kwam vergezellen. Maar ja, we boften toch maar weer dat er in het zwembad in elk geval geen kamelen zwommen.

 

Heilig (4)

Laten we het es over de koeien hebben. Dat ze heilig zijn in India, alla. Maar het probleem met heiligen is, ze gaan naast hun schoenen lopen. En in het geval van de koeien: midden op de weg. Ze keuren je geen blik waardig, laten overal de grote, heilige boodschap achter en paraderen met hun wie-doet-mij-wat-blikken door smalle winkelstraten. Zou ik, eenmaal heiligverklaard, met een krantje en een biertje in een ligstoel op het kruispunt van twee snelwegen gaan zitten? De koeien doen het en kijken niet op of om wanneer vrachtwagens uitwijken naar de hobbelige berm. 

Het probleem met die koeien is: ze zijn over het paard getilde.

Hun gedrag heeft maar één voordeel: in de steden fungeren ze als verkeersdrempels. De talloze scooters en brommers racen graag, maar de koeien dwingen een slalomrace af.

India is zó groot dat alle soorten landschappen er vertegenwoordigd zijn. We waren in de immens grote woestijn in het westen, grenzend aan Pakistan, in Jaisalmer, de stad die de gouden stad wordt genoemd vanwege de vele zandstenen gebouwen. Het geel krijgt er in de genadeloze zon glans. In de zomer loopt de temperatuur er op tot 50 graden. Met 35 graden moesten wij dus - puffend - tevreden zijn. Boven de stad torent een immens fort waarin gewoond, gewandeld en gehandeld wordt. Met schitterende koopmanshuizen. Het is een stad waar moslims en hindoes (elk 50% van de bevolking) probleemloos samenleven. Het is ook een gebied waar India met militairen paraat is vanwege de nabijheid van aartsvijand Pakistan.

De woestijn is in de winter een soort Zandvoort van India. Het weidse, vlakke, met groen bespikkelde landschap, de rust en de verlatenheid, het milde winterse klimaat en, jawel, de duinen hebben kennelijk een magnetische werking op de Indiërs. 

In dit gebied troffen wij ook toeristen die een kameelsafari deden. Op de foto zien jullie koningin Gerrie de Eerste uit de van Lindenberg-dynastie. Achter haar de man die zojuist van de gids heeft gehoord dat het voeren van dieren goed is voor je karma en dat je ter wille van een prettige eindbestemming aardig moet zijn voor de dieren. Hij is bezig een koe, die verderop staat, toe te roepen dat ze best wel oké is. De schijnheilige.

 

Arm en rijk (5)

We zijn in de Blauwe Stad - Jodhpur, Rajasthan. Wanneer je daar hoog boven de stad, vanuit het fort van de voormalige maharadja, naar beneden kijkt, wordt de toerist in jou beloond met een uniek stadsgezicht waarin het blauw domineert. Maar het punt van waaraf je kijkt - de afstand - is verraderlijk. Met een toektoek laten we ons beneden naar de krochten van de stad brengen. Een medische keuring voorafgaand aan zo’n toektoek-ritje is overigens geen overbodige luxe. Steek je hand niet naar buiten, want hij blijft gegarandeerd hangen aan een andere toektoek. Ze rijden er als sprinters aan de finish op de Champs Elysée. Beneden blijkt hoe verloren de blauwe stad is. Het blauw bladdert vrijwel overal af. Pogingen om de boel hier en daar met Gamma-verf op te fleuren, maken het erger. Maar de verloren grandeur is in evenwicht met de rest van de stad. We wandelen door de smalle straatjes met zijn desoriënterende bochten. Een ezel draagt op zijn rug een grote hoeveelheid opgestapeld huisvuil. Op zijn weg naar de stortplaats draagt hij water naar de zee. De stad zelf is de stortplaats. Wezenloze, vermagerde honden snuffelen aan dichtgebonden plastic zakken, terwijl een man tegen de buitenmuur van een huis staat te pissen. Een stukje verder zit een oude man op de grond voor zich uit te staren, onbevreesd voor brommers en scooters die rakelings langs hem heen manoeuvreren. Hij heeft de dood in zijn ogen. De eenzame, gave restanten van het blauw in de stad fungeren als vlaggen op de modderschuit. India is een economische macht in opkomst, maar de meeste mensen zijn arm. 

In onze 6-persoons bus - we reizen met een ‘groep’ van vier, de gids en de chauffeur - passeren we op dinsdagochtend een kruispunt waar een groot aantal mensen verzameld is. Alsof de Indiase versie van Muziek op het Plein ieder moment kan beginnen. Maar schijn bedriegt. Het zijn dagloners. Ze hebben bijna allemaal een lunchdoos in hun hand en staan er massaal te hopen op een klus. De gevisualiseerde arbeidsmarkt.

Het is treurig wat je ziet. Zegt de toerist uit een rijk, aangeharkt en grotendeels ontkerstend land, waar het individu op een voetstuk staat. De kinderen in Jodhpur begroeten je vrolijk en de meeste volwassenen maken een opgewekte indruk. Er is geloof in betere tijden, er is nationale trots, er zijn sterke familiebanden, de mensen hebben hun religies. Let it go, laat maar waaien, maak je niet druk, lijken er in de Grondwet te staan. 

Zijn wij beter af? 

Ik weet het niet. Wat ik wel weet: het punt van waaraf je kijkt is verraderlijk.

 

Van oude dingen (6)

De dag na onze thuiskomst, over ruim een week, zullen Willem Alexander en Maxima in India landen voor een staatsbezoek. Als ze op bezoek gaan bij een maharadja, zal hij vermoedelijk de vraag stellen hoe de Oranjes het voor elkaar hebben gekregen dat de Staat hen dikke salarissen geeft. Want ook de maharadja’s hebben niks meer te vertellen, maar moeten wel hun paleizen onderhouden. En vergeleken met hun paleizen is Huis ten Bosch een opgeschilderd tuinhuisje. 

Zo klimmen we naar een hooggelegen fort in Kumbhalgarh (Rajasthan) met een muur van 36 km. Daar zijn heel wat vijandelijke troepen met staarten tussen de resterende benen afgedropen. Het fort ligt in het enige gewest (Mehar) dat door de eeuwen heen onafhankelijk is gebleven. We zien er een vrouw met een kan van 20 liter water op het hoofd naar boven lopen. Zodat de toeristen, boven aangekomen, voor wat roepies- zich met haar water kunnen opfrissen. De maharadja die het fort bedacht- hij dacht groot - liet ook 1008 tempels in deze regio bouwen. Waaronder een tempelcomplex met 108 tempels - de 9 is een heilig getal. We doen ook hier, niet voor het eerst, de schoenen uit en eren de tempel met een bloemenkrans. We krijgen er een handje met stukjes kokos en een stip op ons voorhoofd voor terug. Het hele religieuze krachtenveld, van de hindoes (83% van de bevolking) t/m de jaina’s (0,5%) heeft zich voorzien van tempels. We hebben zelfs een als tempel fungerende, veredelde tent bezocht met daarin de motor van een verongelukte motorrijder. Miljoenen mensen leggen hier een geestverruimend bezoekje af.

De man die ons langs al dit moois gidst- 34 jaar, historicus, allesweter, getrouwd, een zoon van 7 - woont in de prachtige, aan een meer gelegen, romantische stad Udaipur. De gids/tourleider is negen maanden per jaar van huis, want India is nou eenmaal te groot om even tussendoor naar vrouw en kind te gaan. Nu de reis langs zijn woonplaats voert, worden we bij hem thuis op zijn Indisch ontvangen: de gasten krijgen eten en drinken, gastheer, gastvrouw en het blije zoontje beperken zich tot dienstbaarheid. We bladeren in hun bescheiden appartement door het fotoalbum van hun (gearrangeerde) huwelijk, waarover hij ons eerder had verteld. Het zoontje doet tot verbazing van papa een rap die hij op tv heeft gezien. 

De volgende ochtend pakken we voor de verandering de trein die door de bergachtige jungle rijdt. De trein is van 1950, Britse makelij. Houten banken, de fluit, het decor van een zwart-witfilm. Langs de route staan apen klaar om, waar de trein langzaam rijdt, door de open ramen zo mogelijk iets eetbaars of een tasje te stelen. Reizigers in de trein spelen Indiase muziek. Dat vinden toeristen leuk. Hoewel, na een kwartier Indiase Arbeidsvitaminen glijden de ogen langs de bovenkant van de ramen. Maar nee hoor, geen bordje Stiltecoupé.

 

    De liefde (7)

    Om kwart voor 5 gaat de wekker. De nachten beginnen altijd met de keuze tussen warmte en lawaai. Zet je de lawaaiige airco aan, dan zit je in je droom de     hele nacht vast op een kruispunt in Delhi. Doe je het niet, dan sta je ‘s nachts bij een bushalte in de woestijn. Dus de nacht was kort, maar de wekker was ook     een verlossing. En klagen doen we niet, want 800 olifanten liepen halverwege de 17e eeuw beladen met blokken marmer van Pushkar naar Agra, pakweg 380     kilometer, om het wereldwonder Taj Mahal mogelijk te maken. Het is de meest bezochte attractie ter wereld. Met ons matineuze bezoek waren we de rijen     voor en zagen we dit staaltje van magistraal verbeeld liefdesverdriet op zijn mooist: bij zonsopgang. De zon speelt er met het witte marmer en laat het hier en     daar schitteren alsof er diamanten tussen zitten. De heerser over het grote rijk van de Mogols was tot over zijn keizerlijke oren verliefd op zijn vrouw, de     koningin. Wat in die kringen niet vanzelfsprekend was, getuige de forten die we bezochten met ruime woongelegenheid voor diverse echtgenotes en     concubines. Toen de grote liefde van de keizer stierf, liet hij een mausoleum bouwen:, of zeg maar gerust een paleis, de Taj Mahal met zijn vier minaretten,     een schitterende toegangspoort, een moskee, diverse andere gebouwen, tuinen en alles in een perfecte symmetrie. Zelden zoiets moois gezien. De liefde is     met dit monument op het allerhoogste voetstuk geplaatst.

    Het immense rode fort van Agra dat we dezelfde dag bezoeken, speelt dan ook een verloren wedstrijd. Ik noteer twee dingen. Shakespeareaanse     familieverwikkelingen doen de zoon van de keizer besluiten zijn vader, de oude keizer, een uitgangsverbod op te leggen. De laatste zes jaar van zijn leven kijkt     de oude keizer vanuit het fort in eenzaamheid uit op ‘zijn’ Taj Mahal. Ergens moeten het prachtige uitzicht en zijn trots overspoeld zijn door verveling en     knagende gevoelens van onrecht. 

    Toen de Britten in de 19e eeuw het fort belegerden, ging er een Britse kanonskogel door een zeer fraaie en waardevolle voorgevel. Het gat werd de vaste     stek van een papegaai. Het werd de Parrot Hall. De papegaai riep geregeld: stupid English! Dit laatste verzin ik zelf, want geschiedenis is belangrijk maar     moet ook een beetje leuk zijn.

    Had ik al verteld van de apentempel?

    In de buurt van Jaipur is lang geleden in de jungle een tempelcomplex gebouwd. De apen beschouwen het sindsdien als een stuk verharde jungle met stenen     bomen. Toen we het complex betraden zagen we in de verte honderden apen van een steile bergwand afdalen. Beneden stroomden ze massaal het     tempelterrein op. Was het een speciaal welkom? Gingen ze ons te lijf? Vermoedelijk had een luipaard ze over de berg gejaagd, waardoor we gasten werden     op een massaal bezocht apenfestijn. Uiteraard waren er brutale apen, de zakkenrollers van de familie. Maar alleen de jonge aapjes slaagden erin iets te stelen:     onze harten. Vooral als ze weer even veiligheid zochten en op hun moeders ruggen sprongen.

    Nu we het over gestolen harten hebben: nog even terug naar de Taj Mahal. Die tempel van de liefde, bedacht ik, is de ideale plek om je vriendin ten huwelijk     te vragen. Maar ja, versleten knieën hè.

 

    Slot (8)

    ‘I never visited hell before. It’s quite interesting’. 

    Het was mijn antwoord op de vraag van onze tourleider hoe ik de drie uur durende wandeling door Varanasi had ervaren. Varanasi (India) is een heilige stad,     gelegen aan de heilige rivier de Ganges. De miljoenen bewoners en de evenzovele bezoekers - veel pelgrims - wenden zich regelmatig tot hun goden,     verrichten rituelen, dompelen zich onder in de heilige rivier en maken het ook verder de bovenwereld naar de zin om zich uiteindelijk van een prettige     aankomst te verzekeren in wat er te wachten staat na hun sterven. Zou dit post-wereldlijke perspectief de reden zijn dat ze het aardse bestaan bereid zijn te     verkloten door fanatiek deel uit te maken van de dagelijks optocht, nee opeenhoping, nee tsunami van voornamelijk gemotoriseerde voertuigen in de straten     van Varanasi? Het verkeer in Delhi is een autoloze zondag vergeleken bij het verkeersgeweld in deze heilige stad. Elke hap die je neemt is een Broodje     Uitstoot. De levensverwachting ligt er flink onder het landelijk gemiddelde. Het is één groot, toeterend zelfmoordcommando.

    De meeste bewoners eindigen op een bamboedraagbaar, waarop de familie hen in draf en met rap-achtinge zang door de straatjes van de oude binnenstad     draagt, op weg naar het houtvuur op het crematieplatform aan de Ganges, in welke rivier de as verdwijnt. We zagen hoe een bootje een lichaam uit de rivier     viste, want niet iedereen wil een crematie of kan haar betalen. Maar opa moet hoe dan ook in de Ganges.

    Van Varanasi gaan we per nachttrein terug naar Delhi. Ik slaap op etage 3, mijn hoofd ligt nagenoeg klem tussen bed en plafond. Naast mij blaast de airco     koude lucht naar binnen. Snurken blijkt ook in India een nachtelijke hobby. De man tegenover me laat weliswaar stiltes vallen, maar komt steeds genadeloos     terug. Onder mij moet een meisje overgeven. Gerrie, helemaal beneden, krijgt het half over zich heen. Om 3 uur lukt het me zonder botbreuken af te dalen     voor wc-bezoek. 

    India bij nacht is ook best bijzonder.

    India is prachtig en krankzinnig, rijk en straatarm, glinsterend en smerig. Er wonen lieve mensen, onverstoorbare koeien, vrolijk stemmende apen en zielige     honden. Het land heeft een rijk en gekoesterd verleden. Het is er spicy of medium spicy.

    Je kunt India het best aldus samenvatten: het reilt en zeilt er. Maar vraag niet hoe. Dat is ook na drie weken reizen volslagen onduidelijk. Maar misschien is het     wel daarom dat we een beetje verliefd op het land zijn geworden.