BLOGS 2019

 

7. Greppolungo

Er gaan dagen voorbij dat jullie niet aan dit Toscaanse dorpje denken. Het ligt hoog in de Apenijnen, van God en vaderland verlaten, en kijkt uit op de Ligurische zee. Wij zitten er een week en noemen het vakantie. De bewoners zijn er altijd en noemen het leven. Het ene moment fluiten in Greppolungo de vogels, het andere moment fluiten de vogels. Ergens beneden, in het dal, probeert een opgevoerde brommer met zijn geluid Greppolungo binnen te dringen. Maar tevergeefs, in Greppolungo zijn ze doof voor het geluid van de haast. Er komt geen bus in Greppolungo, er is er geen winkel. Op een ezelspad zijn wegwerkzaamheden met een vermoedelijk ‘beneden’ buitgemaakt verkeersbord aangegeven. 

Greppolungo telt 24 inwoners. Ze voelen zich om allerlei redenen bedonderd door de politiek. Daarom wensen de Greppolungo’s geen oproepkaarten voor verkiezingen te ontvangen. Stemmen doen ze geen van allen. Ze willen nergens bij horen, behalve bij Greppolungo.

Een Engelse anarchist - ‘ik ben van de pure soort’ - bouwt boven Greppolungo - de verlatenheid voorbij - aan de woning waar hij de ondergang van de moderne samenleving zal overleven. Al in 1971 kocht hij de ruïne, maar hij had 45 jaar geen tijd om de ondergang te slim af te zijn. Maar nu is hij aan zijn levenswerk begonnen en laat hij Sysiphus een poepie ruiken. Zodat hij ooit op zijn plek tussen hemel en aarde kan waarnemen hoe de mensen beneden reddeloos ten onder gaan aan de ineenstorting van economie en vrede. Intussen slaapt hij in zijn auto op het enige parkeerterreintje van Greppolungo, om de volgende ochtend weer nauwelijks waarneembare vorderingen op zijn droomplek te boeken.

Eens in de twee weken komt er een priester naar boven om in het kerkje een gehoor van gemiddeld 10 gelovigen te stichten. Op het pleintje bij dat kerkje wordt er af en toe samen gegeten. Lange tafels. Allemaal wat meenemen. Wij mochten meeëten. Met de Greppolungo’s ontstegen we aan de boze wereld beneden. Waarmee we ons overigens de volgende ochtend weer even zo vrolijk verzoenden. Het uitzicht was mooi. (16-06-2019)

 

6.  De rij

We stonden in een rij. Op vliegveld Eindhoven werden de mannentoiletten schoongemaakt. We mochten om beurten in het gehandicaptentoilet, de concertzaal van het WCwezen.
Vrouwen passeerden verbaasd de rij. Sinds wanneer hadden mannen de vrouwelijke aandrang om allemaal tegelijkertijd te moeten? Acht mannen keken naar een deur. Hoe lang zal deze man erover doen? Minutenlang dus. Even later struikelde hij met twee koffers naar buiten, waardoor het leek alsof hij de gedane behoefte niet wilde achterlaten. De volgende man was zó snel terug dat we met zijn allen automatisch controleerden of zijn broek wel dicht zat. Het kan ook zijn dat de mannenrij hem zó had verward dat hij dacht met een gemoderniseerde boarding van doen te hebben.
Ik mijmerde intussen over mijn ongeduld in rijen. Waaronder mijn wekelijkse neiging bij de kassa van Albert Heijn een slow buyer te mishandelen.
De rij was lang het unique sellingpoint van de Efteling. Ik vermoed dat de bonden binnenkort gaan staken voor meer vakantiedagen, omdat veel vakantiedagen verloren gaan met in de rij staan.
In de rij voor de WC moest ik denken aan de Mount Everest. Dat ik gelukkig niet twee dagen hoefde te wachten. En ook niet dood vroor. Het is een sneue paradox: de groeiende mobiliteit van de mens brengt hem in lange rijen en daarmee een overdosis stilstand. (11-06-2019)

 

5. Elastiekjes

Een elastiekje was, dacht ik, toch vooral bedoeld voor die ene truc. Je doet hem om je wijs- en middelvinger, helemaal onderaan. Dan maak je een vuist, je legt het elastiekje ook aan de bovenkant om je vier vingers en je draait je vuist naar je publiek. Het publiek ziet het elastiekje om twee vingers. Dan trek je een goochelaarsgezicht en je opent je hand. Hup, het elastiekje zit ineens aan om je andere twee vingers. Ik vermoed dat hier mijn liefde voor elastiekjes vandaan komt.

Een paar geleden was ik bij Staples om printerinkt te kopen toen ik hem zag: de doos met 5000 rode elastiekjes. Een kassakoopje voor 8 euro. Bij het afrekenen realiseerde ik me dat deze doos mij levenslang ging vergezellen. Alles werd anders. Tot dan toe maakte ik boterhamzakjes dicht met een slordige en veel te strakke knoop. Bij het openmaken van het zakje prutste ik tien seconden aan de zelf gelegde knoop, waarna ik dat verrekte teringzakje aan flarden scheurde. Halflege pakken pasta stonden in de kast met een open dakje. Na de onvermijdelijke botsing met een zak rijst, raakte de fussili op drift. Om van de mihoen en de couscous maar te zwijgen. De basterdsuiker moest in het pre-elastiekjestijdperk vanwege een overdosis frisse lucht op de werkbank los gehakt worden. Spaghetti ging volledig haar eigen gang.

Met de komst van de elastiekjes is de anarchie op de keukenplanken met harde hand aangepakt. De zaak is nu volledig onder controle. De laatste ontsnapping van een borrelnootje dateert van drie jaar geleden. Het elastiekje regeert in de keuken. Nog 4650 exemplaren zijn paraat om de orde te handhaven. En ik ben bereid aan evenzoveel kleinkinderen de truc met het elastiekje over te dragen. (01-06-2019)

 

4. Bij de dokter

Mijn vriend ging naar de dokter.Hij leefde gezond, maar rookte. Zelf vond hij het al een hele prestatie dat hij zijn porties groente at, zijn 10.000 stappen per dag op zijn sloffen haalde en de alcohol beperkte tot één uitspatting per maand.

‘Dan leef ik toch gezond genoeg, dokter?’

‘Nee, u bent ziek’, was het antwoord, ‘u lijdt aan cognitieve dissonantie’.

Mijn vriend schrok. Klonk heftig.

‘U houdt zichzelf voor de gek. Maar een troost is’, zei de dokter, ‘vrijwel iedereen heeft die ziekte. Het is een afwijking die iets positiefs heeft. Ze helpt je van de stress af te komen. Je hersens zijn in staat gedrag goed te praten dat in strijd is met je opvattingen.’

Mijn vriend voelde zich betrapt, maar wist zich ook gesteund door de wetenschap dat het een volksziekte is.

‘Oh, dus het is net zoiets als groen stemmen bij verkiezingen en je vlees kopen bij de kiloknaller?’

‘Ja’, zei de dokter, ‘maar het mooie is dat je hersens in staat zijn om deze discrepantie ook nog te verklaren. In dit geval zal deze kiezer zichzelf misschien wijs maken dat de betrokken slager zonder zijn steun failliet zou gaan, zodat hij zich van zijn sociale kant laat zien.’

Mijn vriend werd boos. ‘Ja, zo kun je alles goedpraten. Ik vind het toch eigenlijk wel erg, dat ik dat heb’.

‘Het kan erger’, zei de dokter. ‘Wees maar blij dat je geen last hebt van strategische onwetendheid'.

‘Pardon?’

‘Mensen weten dan dat ze maar beter niet méér kunnen weten. Voorbeeldje?’

‘Graag’

‘Je bent vrouw en je bent fan van Baudet. Je hebt op hem gestemd en wil dat blijven doen. Het omstreden essay over onder meer de positie van de vrouw ga je niet lezen. Want het is, denk je te weten, allemaal de schuld van de linkse pers.’

Mijn vriend loopt enigszins onthutst terug naar huis. Kun je eraan geholpen worden? had hij bij de deur nog gevraagd. De dokter had hem met een brede glimlach nageroepen:

‘Ja, met een operatie aan je ruggengraat’.

(24-05-2019)

 

3. De medaille

Vergeleken met verstokte zolderstapelaars ben ik best een weggooier. Een oud-collega, wiens naam ik niet noem omdat hij ook Ben heet, en dat geeft verwarring, heeft zelfs een halve eeuw krantenknipsels in zijn tuinhuis opgeslagen. En ik hoorde een buurman laatst zeggen dat met haar – hij bedoelde zijn vrouw – geen gesprek over weggooien mogelijk is zolang de laatste ruimte in de punt van de nok van het huis nog ongebruikt is. De bewaardrang is existentieel. De bewaarders koesteren met hun spullen de voorbije jaren; het is de etalage van hun vergleden tijd. Met hun wankele kinderstoelen, bekraste koeltassen, voorwaardelijk afgedankte stoelen en tientallen al lang niet meer geopende dozen schrijven ze aan hun biografie. Hun pertinente weigering de kringloop met hun spullen te verrassen is niet minder dan de verdediging van hun levens. Al weten ze diep in hun hart dat de kinderen na hun overlijden en een beleefdheidshalve ingelaste pauze het hele zakie bij de vuilstort zullen dumpen.

Nou gooi ik ook niet zomaar alles weg. Maar ter gelegenheid van mijn verhuizing van Amersfoort naar Kortenhoef heb ik toch zeker 10 kubieke meter verleden van zolder, garage en andere ruimten verplaatst naar mijn geheugen. Waar het overigens ook best woekeren is met de ruimte. Zo gooide ik bijvoorbeeld mijn medailles van de avondvierdaagse weg, inclusief de haakjes met 2, 3 en 4 erop die je om het katoenen hangertje moest klemmen. Ik vermoedde dat ik zonder deze wandelgetuigen zou kunnen leven. 

Met een andere medaille liep het anders af. In 2014 werd mij een medaille opgespeld door een oud-collega van de RVU, voormalige omroep te Hilversum. Ik noem de naam van deze oud-collega niet, want hij heet Ben, en dat geeft verwarring. Deze medaille kreeg je als je de RVU grote diensten had bewezen. Ik had als toenmalige directeur de RVU richting een fusie geleid, en dus de ondergang van deze kleine, eigenzinnige omroep bezegeld. De plechtigheid was ironisch. De medailles moesten sowieso op.

Toch heb ik deze medaille steeds weer opzij gelegd bij het opruimen. Misschien omdat zij elke keer een lach veroorzaakte. De medaille ging uiteindelijk mee naar Kortenhoef. Maar toen kwam de volgende ronde. Spullen beleven in het huis van vertrek enkel maar de voorronde. Overleef je de voorronde, dan mag je weliswaar een ritje maken, maar pas daarna komt het erop aan. In Hilversum kun je je rommel ook kwijt.  Ik vermoed dat de toekomst mij volledig in beslag nam toen ik, eenmaal in ons nieuwe huis, de RVU-medaille toch maar geen plekje gunde. Hij verdween in een doos, hoewel hij bij het vuilnis moest. De doos ging namelijk naar de Jaarmarkt van "s-Graveland, waar van alles te koop is. Enkele dagen na de Jaarmarkt ontving ik een mail van een oud-omroep-collega, waarvan ik de naam niet noem, alhoewel hij geen Ben heet. Of ik me realiseerde dat op de Jaarmarkt de RVU-medaille met mijn naam erop te koop was. Hij had de medaille meegenomen. Of ik hem wilde hebben. Weggooien is dus ook best een kunst. (15-05-2019)

2. Buxus 

Die rups is dus helemaal uit het Verre Oosten gekomen om onze buxushaagjes op te vreten. Waarna de intratuinmens een gericht gifoorlogje begon om zijn tuin te ontmotten. Omdat regeren over het eigen koninkrijk nou eenmaal niet zonder offers gaat, ziet de intratuinmens de onbedoelde vergiftiging van vogels als serial damage. Regeren over de natuur valt nou eenmaal niet mee. 

Terwijl je de zaak ook van een andere kant kunt bekijken. Welke gek heeft de buxushaag eigenlijk bedacht? Het zijn hegjes van niks. Te onbeduidend voor een afscheiding, te gecultiveerd voor schoonheid, te massaal voor verrassing. En waarom zou een struik eigenlijk de vorm van een bol willen hebben? Of van een piramide? De buxus heeft bovendien de zelfredzaamheid van een schildpad in de soep. Want hoezo leg je het loodje tegen een rups die helemaal uit China is komen aankruipen?

Wij hebben onlangs een huis gekocht met een tuin vol buxushaagjes. De wormen konden wij zonder extra vergoeding overnemen. Ze nemen ons in stilte het sloopwerk uit handen. We zijn goeie maatjes met de motten. De vogels kwetteren dankbaar in de struiken. Nog even en het is een feit, onze eigen buxit. (07-05-2019)

1. Gewoon

Ook een week na Koningsdag houdt het mij nog bezig. Ik woon dan weliswaar niet meer in Amersfoort, maar toch. De misser is te onwaarschijnlijk om waar te zijn. Zo’n nationaal evenement is voor een stad van ruim zeven en een halve eeuw dan misschien niet een kwestie van once in a lifetime, maar voorlopig zijn er zeker weer honderd wachtenden voor u. Dus zullen we het nog een keertje overdoen is er niet bij. Nog altijd kan ik me niet voorstellen dat er een golf van geluk door de ambtelijke gelederen ging toen de verlossende woorden als goudenregen op de vergadertafel in het Amersfoortse stadhuis neerdwarrelden als het enig juiste antwoord op de vraag ‘Wat is Amersfoort?’:  ‘gewoon’, ‘gemiddeld’.  En dat dan ook nog in combinatie met die andere vondst, de samenbindende slogan van de dag ‘Wij Amersfoort’, waardoor alle inwoners met één verrassende beweging in het Amersfoortse uniform werden gehesen, met op de rug de tekst: ‘wij doen gewoon, dat is al gek genoeg’. Plotseling realiseerde ik mij dat mijn vertrek uit Amersfoort niet het gevoelde, jammerlijke afscheid was. Het was een ontsnapping, een maand voordat mijn stad werd geëgaliseerd.

Of zou het een geste zijn geweest naar de koning? Want het trof mij dat mijn 95-jarige moeder, zeer opgetogen over het koninklijk bezoek, de koning ‘zo heerlijk gewoon’ noemde. En inderdaad, het koninklijk paar met in hun kielzog een stelletje jolige prinsen, heeft de koninklijke afstand afgezworen. Wij hebben nou eenmaal geen koning die, zoals die van Thailand, zijn poedel de rang van maarschalk van de luchtmacht geeft. Of die, zoals zijn Thaise collega, gespot wordt in een damesslipje op een fiets. In Thailand valt er nog eens wat te lachen met het koningshuis. Als je dan toch niks te vertellen hebt, wees dan maar clown. Maar dat werkt hier niet. Hoe gewoner je bent, des te dichter kom je bij het volk. Het kan zijn dat Amersfoort die ‘gewoonheid’ wilde spiegelen. Dat Koningsdag de ontmoeting moest worden van het gewone volk en de gewone koning.

U begrijpt, ik probeer te begrijpen wat ik onbegrijpelijk vind. Pas in de loop van de afgelopen week begreep ik het echt. Ik sloeg met grote bewondering ‘Grand Hotel Europa’ dicht, de roman van Ilja Leonard Pfeiffer. Het verhaal speelt voor een groot deel in Venetië, de stad die model staat voor de wijze waarop het toerisme steden naar de vernieling helpt en bewoners doet vluchten. Het aantal inwoners in Venetië is nog maar minder dan de helft van die van Amersfoort, namelijk 60.000.  Het kwartje viel. Amersfoort is als eerste stad in Nederland een offensief begonnen tegen het toerisme. Noem de stad ‘gewoon’. Noem de stad ‘gemiddeld’. En houd dit ook vol. Over een tijdje komt er geen hond meer.  Briljant. (01-05-2019)

 

Columns 2019, elke woensdag AD Amersfootse Courant

9. Liefde

Er stroomde nog water op de stadsring. Niet dat ik dit beeld levendig op mijn netvlies heb staan, maar ik werd toen, drie jaar oud, Amersfoorter. Ik moet bekennen dat ik de stad meer dan eens ontrouw ben geweest. In de jaren zeventig vertrok ik langjarig en langharig naar de hoofdstad. Om er nacht te braken, te protesteren tegen de verhoging van het collegegeld, de universiteit te bezetten en in gestolen uurtjes te studeren.

Amersfoort was nog een dorp in het diepst van zijn gedachten. Met de annexatie van Hoogland liet de stad voor het eerst haar stedelijke tanden zien. De opstandige Hooglanders lieten zich maar amper temmen. Jarenlang was ik er getuige van, want na een paar jaar Enschede – mijn eerste baan – betrok ik een woning in dit wingebied van de Keistad, dat in de volgende decennia in een noordelijke, stenen omsingeling geraakte.

Intussen is mijn stad een gevaarlijke grens overgestoken: de snelweg. Kadastraal geen vuiltje aan de lucht, maar er zijn ook mentale grenzen. De groei van een stad werpt vroeg of laat de vraag op wat die stad eigenlijk is. Niet meer dat dorp van toen, maar wat wel?

De historische of mentale binding met steden lijken op hun retour. De pragmatiek is aan de winnende hand. De groeiende mobiliteit gaat gepaard met onthechting.  Mobiliteit is immers het verschil tussen blijven en passeren. De stad als thuisbasis wordt steeds meer een stad als uitvalsbasis. Amersfoort heeft daarvoor de ideale ligging. Het is geen goed nieuws voor de politiek, die toch al met onverschilligheid en wantrouwen te kampen heeft. En ook de lokale journalistiek heeft last van een verminderende identificatie met het woongebied.

Toen ik vijftien geleden terugkwam van zes jaar Rotterdam – ja, ik had mijn stad voor de 3e keer verraden – wist ik het zeker. Ik zou hier de rest van mijn leven blijven. Ik wilde weer naar Theater De Lieve Vrouw kunnen lopen, langs het Corderius kunnen fietsen, de Langestraat zien verleppen, de Nieuwe Stad zien verrijzen en boeken gaan kopen bij Veenendaal. Misschien omdat ik intussen wat ouder was schroomde ik niet te bekennen dat ik liefde voelde voor mijn stad.

Maar eergisteren zat ik bij de notaris. Om mijn huis te verkopen. Om de stad te verlaten. Het spijt me, Amersfoort. Het is geen bindingsangst. De liefde voor u is ook allerminst bekoeld. En met veel plezier speelde ik op deze plek de nar en de betweter.

’t Is de liefde voor mijn vriendin Gerrie. U speelde al een tijdje een verloren wedstrijd. Ik ga naar Kortenhoef. De kans dat ik nógmaals terugkeer lijkt mij even groot als de kans dat er weer water gaat stromen op de stadsring.

 

 

8. Van Wittel

Als ik de koning was zou ik op Koningsdag, aan het einde van de zorgvuldig uitgezette zwaaiwandeling, op het Eemplein even doen alsof ik moet plassen. Om dan de feestelijkheden op het plein te ontvluchten en bij Kunsthal KAdE naar binnen te sneaken. En me te laten overrompelen door Caspar van Wittel.

Toen ik, onderweg naar Albert Heijn, met mijn boodschappentas in de hand het museum betrad moest ik even denken aan Pierre Jansen, de vermaarde presentator van het allereerste televisieprogramma over kunst, Kunstgrepen. Hij zag een museum als een stuk van de straat. Drempelloos. En beweerde dit in de tijd dat musea nog algemeen werden beschouwd als het domein van kunstkenners en snobs. Die hem dan ook prompt een populist noemden.

Dus ik nam, helemaal in de geest van deze man met zijn lange, trillende handen, onderweg naar de supermarkt de afslag van Wittel, de Amersfoortse schilder die Romein werd, en zich Vanvitelli ging noemen. Je hoeft in Kunsthal KAdE alleen maar de trap af te lopen om je in Rome te wanen. Vanaf een door van Wittel bedachte verhoging heb je een meesterlijk uitzicht over het Piazza Navona van 320 jaar geleden. Eeuwen geleden, maar verrekte dicht bij vandaag. De vierstromenfontein van Bernini staat er dan een jaar of veertig. Wanneer je met tegenzin dit plein verlaat, zie je verderop twee koepels en een obelisk. Je kent ze. Oh ja, Piazza di Popolo. Alweer een plein waar de tijd door van Wittel vakkundig is stilgezet. En ook hier heeft hij voor de kijker de allermooiste uitkijkplek gereserveerd.

En met een vooruitziende blik heeft van Wittel ook Venetië vereeuwigd. Want die stad is intussen aan het toerisme ten onder gegaan. Wij kunnen ons een weekendje filelopen – en in de toekomst nummertje trekken bij de afslag – besparen door een half uur rustig te gaan zitten en met van Wittel mee te kijken naar het gezicht van Venetië. Hij schilderde het stadsgezicht vanaf het eiland San Giorgio. Hoe kan het ook anders, het perspectief van St Joris, hij blijft een Amersfoorter.

 

 

 

 

 

7. Sneuvelen

Origineel is het niet, jezelf vastbinden aan een boom om te voorkómen dat bomen worden gekapt. Het is vaker vertoond. Dus de originaliteitsprijs wordt om te beginnen al niet uitgereikt. Maar is het een gerechtvaardigd middel?

Ik twijfel niet aan de diepgewortelde weerzin tegen het inruilen van groen voor asfalt. Maar er zijn ook mensen die diepgewortelde weerzin hebben tegen het plaatsen van zonnepanelen in het weiland waar ze op uitkijken. Gaan zij straks massaal gestrekt tussen de paardenbloemen? Waardoor de politie weer moet opdraven? En zullen we het dan ook maar gewoon vinden dat bordjes met ‘parkeren voor vergunninghouders’ worden gesloopt, omdat het parkeerbeleid volgens betrokkenen niet deugt?

De prangende vraag die zich iedere keer weer aan mij opdringt is: namens wie opereren de actievoerders? Ze hebben het hele arsenaal aan rechtstatelijke middelen ingezet om hun groepsgelijk te halen. Je kunt er van alles van vinden, maar de actiegroep heeft op het veld van eer met vechtlust en inventiviteit de spanning weten op te voeren alvorens dan uiteindelijk te sneuvelen. Maar sneuvelen is ook een kunst. Dat kan ook waardig. Durven zeggen dat het over is. De tegenstander feliciteren. Allemaal dingen die ook horen bij democratie.

Dat geldt trouwens ook voor durven zeggen dat je fout zat. Zoals Joram van Klaveren deed. Hij schreef een boek waarin hij uitlegde dat en waarom hij het als PVV-er helemaal mis had. Dat hij de Islam nu heeft omarmd. Kritici begonnen meteen links en rechts uit de heup te schieten. Want Joram was, zo riepen ze opgewonden, mee verantwoordelijk voor het verziekte, maatschappelijke klimaat. Ja, dat was hij. Maar hij heeft spijt. Kunnen we hem dan maar beter niet feliciteren? Moet deze moed niet beloond worden? Of klimmen we liever in bomen, om dan helemaal boven, al dan niet met megafoon, het eigen gelijk te blijven verkondigen?

Dat gedrag zorgt voor een ander klimaatprobleem, een andere temperatuurstijging. Veroorzaakt door een overdosis ik-uitstoot.

 

6. Goudvis.

In Barneveld is een goudvis gedumpt. Of – laten we het positief bekijken - in een sloot te vondeling gelegd. Dat kan natuurlijk gebeuren. Je bent klein behuisd, je hebt een groter bankstel gekocht en ja, dan moet er ook weer wat weg. Maar gelukkig hebben we de dierenambulance. Ze heeft de goudvis gevangen en overgebracht naar een ‘tijdelijke opvang, waar de gezondheid van de vis wordt nagekeken’. Of de traumahelikopter is ingeschakeld vermeldt het verhaal niet. Maar wij mogen toch hopen van wel. Dikke kans dat de goudvis intussen weer ouderwets zijn baantjes trekt. Maar zit onder zijn goud niet een posttraumatische stressstoornis? Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn.

We zorgen goed voor de dieren, maar de mensen leveren in. Want heb je bijvoorbeeld een ruimteprobleem en moet je de goudvis wegdoen, dan kun je nu nog een geschilderde goudvis bij de Kunstuitleen halen. Maar die instelling gaat nu ook in Amersfoort sluiten. De Kunstuitleen is een verre echo van de BKR-regeling. In ruil voor financiële bijstand stelden kunstenaars in de jaren zeventig en tachtig hun beeldende kunst ter beschikking van bedrijven en (via kunstuitleen) aan particulieren. De kunstenaars waren de goudvissen van toen. Volgens velen vloog de verzorgingsstaat hier destijds flink uit de bocht. Het hielp ook bepaald niet dat er nogal veel op doeken leeggelopen verftubes als kunstwerken werden opgeleverd in ruil voor een door de overheid verstrekt kunstenaarsloon. De rijksoverheid zat op den duur met een onbeheersbare hoeveelheid kunstwerken - het waren er 220.000 – die ze met veel moeite vanuit haar kelders bij anderen wist onder te brengen, waaronder vernietigingsbedrijven. De kunstenaars verhuisden naar de bijstand of gingen wat anders doen.

Sindsdien heeft de wet van vraag en aanbod ook in het culturele veld aan terrein gewonnen. Er is, zo blijkt, nog maar weinig behoefte aan het lenen van kunstwerken. Dus daar kun je dan ook maar beter stoppen. Er zijn gelukkig vele andere manieren om kunst onder de aandacht te brengen. Je kunt bijvoorbeeld goudvissen in een sloot leggen en deze laten redden door een ambulance. Een installatie, heet dat in de kunstwereld.

 

 

 

5. Zingen

Of u maar vaker wilt gaan zingen. Want dan wordt de wereld beter en uw gezondheid ook.

Zingen vermindert werkstress en zorgt voor een betere band met anderen. Blijkt uit een recent Brits onderzoek. Niet dat dit nieuws is. Want we weten allang dat muziek, en vooral muziek maken, de bovenkamer fris houdt. Onze nationale hersenprofessor, Erik Scherder, zegt het ook steeds. Hij keek zó op van zijn eigen, wetenschappelijke bevindingen, dat hij van schrik vioolles is gaan nemen. Een jaar of zes geleden was heel Engeland in de ban van een televisieserie waarin een jonge dirigent, Gareth Malone, koren formeerde in bedrijven, niet gehinderd door hiërarchische posities. De verbinding en ontspanning spatten van het scherm af.

Ongeveer 10% van de Nederlanders zingt in koren. We hebben bijna de hoogste koordichtheid ter wereld. Maar vanuit een oogpunt van gezondheidszorg is dat nog best laag. Een op de vier Nederlanders heeft een hersenaandoening. Veel mensen denken dat ze niet kunnen zingen. Dus beginnen ze er niet aan. Veel mensen kunnen niet hardlopen. Toch strompelen ze op zondagochtend schaamteloos voor mijn huis langs. Ongeveer 2 miljoen mensen doen aan hardlopen. De benen, de armen, de billen en de buikspieren hebben kennelijk hogere prioriteit dan de hersenen.

Daarom wordt het tijd de volgende maatregelen af te kondigen.

1. Wie geen wijs kan houden gaat op zangles. Want vals zingen geeft juist weer stress. De zanglessen komen in het verzekeringspakket. De alternatieve geneeswijzen gaan eruit.

2. Publieke bijeenkomsten, zoals gemeenteraadsvergaderingen, worden met gezang geopend. Fracties mogen om beurten een lied kiezen. De teksten moeten, vanuit een oogpunt van hersentraining, uit het hoofd gezongen worden. Er wordt al genoeg voorgelezen in de raadzaal.

3. Er komt een Nationaal Nootfonds. Bedrijven worden met subsidies gestimuleerd koren te formeren. Zingen wordt een werknemersrecht en komt in de cao.

4. Niemand mag nog voor het zingen de kerk uit.

 

4. Willekeur

Dat drie Armeense kinderen, 8, 5 en 3 jaar en geboren in Nederland, op het punt stonden om te worden uitgezet wisten we een week geleden nog maar amper. We hoorden het omdat er in maart verkiezingen zijn. Waardoor het CDA ineens voor het kinderpardon is en D66 en CU ook even geen zin hebben aan de leiband te lopen. Klaas Dijkhoff effende het pad, met zijn chagrijn over het klimaatakkoord en zijn ontdekking van de gewone man.  

De talkshows hoorden we niet over de intussen uitgezette kinderen. Terwijl de eveneens Armeense Howick en Lili er zo ongeveer een abonnement hadden. Toen dit tweetal uiteindelijk mocht blijven noemde Arjen Lubach het besluit – terecht - een ‘talkshowpardon’. Ook het NOS Journaal draaide bij de affaire Howick en Lili overuren. Met extra journaals berichtten ze dat broer en zus waren weggelopen, om een shift later te melden dat ze waren gevonden. De maatschappelijke steun en verontwaardiging kookte over, zodat die arme staatssecretaris Harbers wel de hand over het hart móest strijken. Zijn hand werd geleid door de media. Met als gevolg dat een tot dan begrijpelijke tegenstelling – consequent zijn of niet consequent zijn – verdween in de mist. Het nieuwe beleid was: alle kinderen moesten worden uitgezet behalve deze twee. Waarom? Niemand wist het.

Na het talkshowpardon dreigt er nu een verkiezingspardon. Ik zeg ‘dreigt’ omdat opportunisme erger is dan een goed onderbouwd nee. Ik woon het liefst in een land met een kinderpardon. Maar zolang dat er niet is woon ik liever in een land dat streng is op het gebied van immigratie dan in een land waar de willekeur regeert.

Met verkiezingen in het vooruitzicht ligt het bestuur van het land goeddeels stil. Politici beginnen dan opzichtig de veronderstelde achterbannen naar de mond te praten. Hun bestaan is ervan afhankelijk, dus het is onuitroeibaar. Misschien moeten we alle verkiezingen maar es op één hoop gooien. Eens in de vier jaar op één dag: Europa, Nederland, provincie Utrecht en Amersfoort. Klaar is Kees. En dan weer vier jaar gewoon besturen zonder draaikonterij en slappe knieën.

 

3. Ondergronds

‘Hé Groenendijk, zijn ze nou helemaal van de pot gerukt?’ Bas aan de telefoon. Hij belt me af en toe. ’t Is een opgewonden standje. Dat weet hij zelf ook. Eigenlijk belt hij om gekalmeerd te worden. Ik ben zijn zelfmedicatie. ‘Gaat het groene front nou ineens ondergronds?’. Ik begrijp hem niet meteen. ‘Die dassen, de actievoerders hebben een partij dassen ingezet. Die schijnen in Birkhoven burchten te hebben. Die beesten gaan zogenaamd last krijgen van de weg. Ze kunnen straks ook niet meer oversteken naar hun familieleden. Misschien moeten we klaar-overs inzetten.’ ‘Nou Bas, zo grappig is het niet en het ligt wat genuanceerder.’ ‘Ja, gooi d’r maar weer van die dodelijke nuances in. De veldslag over die rondweg begint slachtoffers te maken. De actievoerders zijn in hun wanhoop volledig gestoord geraakt. Kijk, Groenendijk, die weg hoeven ze mij niet aan te leggen hoor. Daar is van alles tegen. Maar het zal toch niet gebeuren dat een stelletje van die mislukte zebra’s die weg gaat tegenhouden?!’ ‘Tja Bas, er zijn nou eenmaal beschermde diersoorten. Dat staat in de wet’. ‘Oh ja? En wij dan, staan wij ook in die wet? Ik zal je es wat vertellen. Mijn oom Klaas had een boerderij. Zijn lust en zijn leven. Daar zou hij oud worden, samen met zijn Tineke. Vanaf een bepaald moment kreeg hij pijn in zijn buik, omdat er iets te vaak mannen met vage apparatuur het landschap stonden op te meten. En ja hoor, vijf jaar en drie rechtszaken later zal hij te kniezen in een appartement. Onteigend, met een partij afkooppegels op de bank. Doodongelukkig. Zijn burcht is in één dag gesloopt.’ ‘Bas, dat is heel erg voor je oom en tante. Maar dat soort dingen is nou eenmaal onvermijdelijk in een land waar de bevolking en de mobiliteit groeit. Individuen zijn daar soms het slachtoffer.’ ‘Oké Groenendijk, daar kan ik nog wel inkomen. Maar één ding gaat er bij niet in. Dat ome Klaas waarschijnlijk dus nog wél in zijn boerderij zou wonen als hij vier poten en een zwart-wit gestreepte kop zou hebben gehad.’

 

 

 

2. Vrezen

‘Een mens lijdt dikwijls het meest

door het lijden dat hij vreest’.

Een wijsheid van mijn moeder, die zij op haar beurt ontleende aan een gedichtje dat zó verder gaat:

‘Doch dat nooit op komt dagen

Zo heeft hij meer te dragen

Dan God te dragen heeft’.

Ik moest eraan denken toen ik het volgende hoofdstuk las van de naar komedie neigende thriller die zich afspeelt rond de coffeeshop ‘Villa Härtel’ aan de Snouckaertlaan. Nu de gemeente heeft moeten terugkeren op haar schreden en tandenknarsend de vergunning heeft verleend pakken de bewoners het estafettestokje over. Want het stilvallen van een slepende zaak is nou ook weer niet de bedoeling. Een verrassende wending is het niet. De bewoners vrezen ‘verkeers- en geluidsoverlast, wiet roken op straat en potentiële criminaliteit’. Coffeeshops zijn de nieuwe zigeunerkampen. Over die kampen hoor je nog maar weinig. Terwijl er toch jarenlang complete wijken voor hun komst hebben zitten vrezen. De eigenaar van de gevreesde coffeeshop weet dat zijn aanwezigheid met hulp van de hoogste bestuursrechter door diverse strotten is geduwd. Hij is de gast op een familiereünie die wangslijm heeft moeten afstaan om te bewijzen dat hij erbij hoort. Dat zal hem naar ik aanneem bewust hebben gemaakt van zijn kwetsbare positie. En dat hij zijn klanten erop zal wijzen dat ze in de traditie treden van de clientèle van het vroegere modehuis Härtel. Hij zou om allerlei reden wel gek zijn als hij de klanten buiten wiet laat roken. Zelfs sigaretten roken op straat is al op weg om sociaal ongewenst gedrag te worden.

Verkeers- en geluidsoverlast heb je trouwens ook als je dichtbij een school woont. Of langs een doorgaande weg. Ik heb deze klacht nog nooit gehoord over de bioscoop.  Maar het belangrijkste lijkt mij geen voorschotten te nemen op de gevreesde toekomst. Want die komt misschien nooit opdagen.

 

 

2 januari

Verderop zie ik een man zijn fietstas legen. Een voor een duwt hij de flessen in de glasbak. De lege wijnflessen – vol kostten ze 9 euro - verdwijnen in het gat van 2 januari. Het was niks voor hem om zulke dure wijn te kopen. Maar de visite vond het lekker. Zelf raakte hij maar niet de gedachte kwijt dat zijn vaste wijnkeuze – 4 euro bij de Lidl – lekkerder was. Weer thuis knipt hij de lichtjes van de kerstboom aan. Twee weken was de boom het lichtend middelpunt van gezelligheid en saamhorigheid. En nu staat hij erbij als een feestband op een crematie.

Het is de ochtend van de stofzuigers. De kruimels van het krentenbrood en de kerstkransjes, de gevallen kunstsneeuw, de rafels van de goudkleurige slingers, de naalden van de met lampjes voorziene guirlandes, ze verdwijnen uit beeld. Net als de herinnering aan de vele lichtjestochten met zijn miljoenen waxinelichtjes, de nieuwe kerstsneeuw, het wereldlijke antwoord op de kerstnachtdienst.

We zetten ons schrap voor de eindeloze maand januari. Alles moet weer beginnen. Met de lijstjes, de overzichten en de terugblikken van december zijn we weer helemaal bijgepraat. Het verleden is op orde. Maar eenmaal over de jaargrens komen we in Niemandsland. Alles is voorbij, maar niks is nog begonnen. We zetten ons schrap voor de plichtplegingen die in de komende dagen volgen. Wat wordt de nieuwjaarswens, wat gaan we zeggen? Gelukkig nieuwjaar? Dat is wel heel gewoon. Beste wensen? Lelijk Nederlands. De sprekers op recepties doen pogingen onze blik weer voorwaarts te krijgen. Ze schilderen vergezichten voor een gehoor dat nog bezig is de smaak van oliebollen weg te spoelen met witte wijn. De sprekers horen bij het ritueel, maar kunnen ook gerust het telefoonboek voorlezen. We zijn nog niet toe aan de toekomst. Pas ergens in de loop van januari begint het nieuwe jaar. De meeste pogingen niet te roken, meer te bewegen, gezond te eten zijn dan mislukt. De laatste kerstboom is afgetuigd. De man duwt weer wijnflessen van de Lidl in de glasbak. We zijn weer begonnen.

Sterkte.

 

Zie voor oudere columns Columns AD

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

Ben Groenendijk

© 2014 Alle rechten voorbehouden.

Mogelijk gemaakt door Webnode